IVAN MAESEN
Om een nieuw
project (PLC-programma) te maken, moet je eerst een map aanmaken waar je het
project zult in opslaan.
Start
Windows.
Maak een
map die als titel de naam van je klas draagt.
Dat kan je
bijvoorbeeld doen via da verkenner. De
verkenner open je via “Start”à “Programma’s”.

1 In de verkenner klik je op “Lokaal station C”.
2 Klik dan in de menubalk op “Bestand”
3 Kies dan in het Pull downmenu “Nieuw”
4 Klik dan op “Map”
5 Wijzig
in het rechtervenster de naam Nieuwe Map in de naam van je klas, bijvoorbeeld “6 ET”

Ga naar het bureaublad.
Klik twee keer met de LMK (Linker
Muis Knop) op het SIEMENS
S7-icoontje,de SIMATIC Manager verschijnt.
Je kunt ook via de startknop de SIMATIC Manager oproepen.
De SIMATIC manager verschijnt op je scherm.

Klik op het
icoontje /“New Project/Library “ onder FILE (Het scherm dat verschijnt, zie je hieronder.
In het
venster “New” Klik je op “Browse”
(Bladeren).

Er
verschijnt weer een nieuw scherm, waar je kunt aangeven waar je het
PLC-programma wilt opslaan.

Klik de map aan waar je de oefening wilt in opslaan. In dit voorbeeld: de map 6ET.
In het volgend scherm type je de naam die je aan je programma wilt geven.
Je neemt nu als naam: VOORBEELD 1.
Daarna klik je op OK.
Als je echt praktijkoefeningen maakt, kies je de nummer van die oefening. Bijvoorbeeld :
Oef. Z1

Als je bij het openen van de nieuwe map (VOORBEELD 1) op OK geklikt hebt, komt er een venster bij.
2. Open het pulldown-menu Insert op de menubalk.
3. Markeer Program
4. Vervolgens klik je op: 1 S7 Program

In de map “VOORBEELD 1” is er nu een map “S7-program” bijgekomen.
2. Open het pulldown-menu Insert op de menubalk.
3. Markeer S7 Block
4. Vervolgens klik je op: 3 Function

In de SIMATIC Manager verschijnt een nieuw
venster: “Properties -Function” (Properites
= Eigenschappen).
Bij het
invulluik van Name is reeds FC1 ingevuld. Dit verander je voorlopig niet.
Bij Language stel je LAD in.

FC1
FC is de afkorting van “Function” en 1 is het volgnummer. In een FC maak je eenvoudige
programma’s. Ze kunnen niet gekoppeld
worden aan databouwstenen (DB), ze hebben geen geheugen.
LAD
Een ladderdiagram (LAD) is een programmeertaal
die zeer veel gelijkenis vertoont met relaisschema’s. Je maakt gebruik van genormaliseerde tekenkundige symbolen.
STL
De “Statement list is een programmeertaal, een soort machinetaal die gebaseerd
is op Boleaanse Algebra, ze maakt gebruik van logische functies zoals AND, OR,,
NOT…
FBD
Een programmeertaal met de symbolen uit de
digitale technieken (EN, OF- poorten e.d.).
Klik
vervolgens op “OK” om het venster: “Properties - Function” af te sluiten
De SIMATIC Manager is terug volledig zichtbaar. Je ziet in het rechter venster dat de map
uitgebreid is met het bestand FC1.

Open het FC1
bestand door bijvoorbeeld 2 x op het icoontje van FC1 (LMK) te klikken.
Het
programma “LAD/STL/FBD….” verschijnt. De hoofding van het venster kan anders zijn, dit hangt af van de
versie van het software-pakket.
In de
volgende figuur is er op de plaats waar de vraagtekens staan uitleg
geschreven. Wens je een titel of
commentaar bij het FC1-programma te schrijven dan moet je met de muis klikken
op de bijhorende vraagtekens. Wil je
nergens een titel of commentaar vermelden dan laat je de vraagtekens staan en
klik je op de plaats waar je het FC1-programma moet schrijven. Dit is de ruimte onder de commentaarkader
van netwerk 1.
Netwerken
Om een programma overzichtelijk te maken, en om vlot je programma in een andere
taal (STL of LAD) te kunnen transformeren deel je het programma op in
verschillende netwerken.

Met de muis
klik je telkens de plaats aan waar je een LAD-symbool wilt plaatsen.
De symbolen
die je wenst te plaatsen klik je in de werkbalk, het zijn de omcirkelde
pictogrammen in de vorige figuur.
1: Een nieuw netwerk beginnen 2: Bibliotheek openen voor speciale functies zoals
timers, counters e.d. 3: Element (bv. Een ingang)
afvragen op logische toestand
« 1 « 4: Element (bv. Een ingang) afvragen op logische toestand
« 0 « 5: Een uitgang 6: Openen van een vertakking 7: Sluiten van een vertakking


Klik de
vraagtekens aan en geef de adressen in.

Als je
verkeerde adressen ingegeven hebt, zal het S7-programma die cursief en rood op
het scherm aanduiden.
Je eerste
programma is af.
Uitleg over dit
PLC-programma
Als de status of de toestand van ingang
I 124.0 logisch “1” wordt, dit gebeurt als de schakelaar die je op ingang
I 124.0 aansluit, gesloten
wordt, dan zal de uitgang Q 124.0 ook “1” worden. Een verbruiker die aangesloten is op die
uitgang zal dan inschakelen.
Door op het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk te drukken bewaar je het programma op de
diskette of op de harde schijf. De
keuze van diskette of harde schijf heb je vroeger gemaakt ,zie “1.1 Een nieuwe
map aanmaken”.

Wat je nu
verder moet doen leer je in volgend deel “1.3 Programmeren van OB1”
OB1
OB staat voor organisatiebouwsteen.
Gestructureerde programma’s bestaan uit verschillende delen, die je bouwstenen
noemt. Bouwstenen kunnen verschillende
functies hebben. Al naargelang hun
functies hebben ze een andere naam.
(DB’s: databouwsteen, om gegevens in te bewaren, FC’s om programma’s zonder geheugen te
schrijven,…).
In organisatiebouwsteen 1 (OB1) deel
je de PLC mee hoe die verschillende
bouwstenen met elkaar in verband staan.
Je kan hier alleen maar de organisatiebouwsteen met nummer 1 (OB1) voor
gebruiken! Er zijn nog andere
organisatiebouwstenen, ze hebben een ander nummer en hebben een andere functie.
Die gebruiken we voorlopig niet.
Open de
simatic Manager.
Indien je
het S7-programmaal hebt afgesloten moet je het project (VOORBEELD 1) terug
openen. Hoe je dit doet,vind je in
hoofdstuk 2 “Een bestaand project
oproepen”.
In het linker
venster open je de map blocks. In het
rechtervenster open je OB1 door 2 maal op het pictogram van OB1 te klikken of door 1 maal te klikken en
met de rechter muisknop het snelmenu op te roepen waar je de opdracht Open Object aanklikt.

Het
venster “Properties – Organization block”
verschijnt.
In het invulveld
Name staat reeds de naam OB1.
In het
keuzeveld “Created in Language: “ kies je LAD of STL.
Er
verschijnt een venster dat bijna volledig hetzelfde is als bij de programmatie
van FC1. Alleen de titels zijn
anders. Er is ook weer plaats voorzien voor
titels en commentaar. Daar schrijven we
niets.
Als je
gekozen hebt voor programmatie in STL typ je op de juiste plaats in het
venster “CALL FC1”.
Zie de tekening op het volgend
bladzijde.
Als de tekst die je getypt hebt in het rood op
het scherm verschijnt is er een fout.
Misschien heb je een typfout gemaakt, of misschien bestaat het programma
FC1 niet .
CALL FC1
Deze programmaregel is geschreven in de programmeertaal STL (Statement
List). Hij zegt de PLC het programma
FC1 onmiddellijk en zonder voorwaarden te laten werken

Als je
gekozen hebt voor programmatie in LAD doe je het volgende:

Zo ziet het er dan uit:

Vergeet je
OB1-programma niet te bewaren. Klik op
het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk.
In een
volgende stap moet je programma “VOORBEELD 1”in de PLC brengen. Hoe je dit doet leer je in “3
Een PLC-programma in de PLC laden”

Het
programma VOORBEELD 1 dat je hiervoor gemaakt hebt, bevindt zich op de harde
schijf (of op een diskette). Het
bevindt zich nog niet in de PLC, zelfs al is de PLC via een interface met de PC
gekoppeld. Je moet het programma nog in
je PLC laden (uploaden).

Je krijgt
waarschijnlijk verschillende meldingen dat de programmablokken reeds bestaan:

Je klikt
dan op Yes, want je wilt je nieuw programma over het oude programma
schrijven.
Nadat je de
programmablokken in de PLC hebt geladen kun je rechtstreeks op de PLC het programma
testen.
De sleutelschakelaar
van de PLC moet dan in de stand “RUN” of “RUN-P” staan.
Je kunt de
werking van het programma volgen op het scherm van de PC.
Je gaat als
volgt te werk:



Als alles
correct is, verandert de lay-out van je ladderdiagram.

Opmerking:
De systeembouwstenen (SFC’s en SFB’s ) worden niet gewist.

Open de Simatic
Manager (je hoeft geen project te openen)
Op de
functiebalk zie je dat je ON-line bent. Je hebt een verbinding met de PC
gemaakt.


Controleer of de PLC gewist is door
in het linkervenster van Accessible Nodes op Blocks te klikken.
In het rechtervenster verschijnen de
bouwstenen die nog in de PLC aanwezig zijn.
Dit zijn alleen de systeembouwstenen SFC en SFB. De blokken van je programma OB1 en FC1 zijn
verdwenen.

Maak een
nieuw project aan zoals beschreven in deel
“1 Een nieuw project maken”. De naam van het project is VOORBEELD 2.
Je wilt een RS-geheugen (RESET/SET-Flip Flop) programmeren.
RS-FF
Een RS-FF is een bistabiel element dat je kan
vergelijken met een bistabiel relais.
Een Positieve puls aan de Set-ingang zorgt ervoor dat de uitgang van de
RS/FF hoog wordt. Die uitgang blijft
hoog totdat er een positieve puls aan de Reset-ingng komt.
Een RS-FF heeft Set prioriteit, een SR-FF heeft Reset prioriteit.
Je gaat als
volgt te werk.
8.
Sluit
de “Instruction Browser af

Het symbool
verschijnt op de aangeduide plaats.

De
vraagtekens klik je aan om het adres in te vullen. Je kan een uitgang nemen (bv. Q 124.0) of een geheugen (bv. M
100.0; M komt van memory of merker).
Op de
volgende figuur zie je het ladderdiagram met de adressen. De ingangen plaats je achteraf gemakkelijk
er bij.

Veelgebruikte
functies (FF, Counter, timer) kan je ook via het menu Insert oproepen.

Open de
elementencatalogus (Instruction Browser). Klik op het kruisje van Timers,
kies één van de vijf timers en duw op OK.
Soorten timers
S PULSE: impulstimer (SI-timer),
S PEXT: Extended Puls Timer;
verlengde impuls (SV-timer),
S ODT: On Delay Timer, inschakelvertraging (SE-timer),
S ODTS: Retentive On Delay Timer, inschakelvertraging met geheugen
(SS-timer),
S OFFDT: Off-Delay Timer, uitschakelvertraging (SA-timer).

De gekozen
timer verschijnt in het ladderdiagram.

In de
volgende figuur zie je de timer met ingevulde adressen en parameters.

TV
Time value, tijdwaarde
Na de aanduiding S5T# schrijf je de
tijd. Je kan gebruik maken van de
eenheden uur (h), minuten (m), seconden (s) en miliseconden (ms).
BI
De tijdwaarde wordt in binaire vorm (integer) naar de gekoppelde operand
gestuurd. In dit voorbeeld naar geheugenwoord 10 (Memory Word).
BCD
De tijdwaarde wordt in BCD-code naar de gekoppelde operand gestuurd. In dit voorbeeld uitgangswoord 0 .
Je gaat op
dezelfde wijze te werk als bij een timer.
Je hebt dus twee mogelijkheden.
Je kan een teller oproepen via de elementencatalogus (Instruction Browser). Een snellere methode is via de menuknop Insert.

Je kiest
bijvoorbeeld een Up/Down counter.

Volgende
figuur toont het ingevulde ladderdiagram van de Up/Down Counter.
PV
Preset Value, voorinstelwaarde van de counter.
Als de bijhorende ingang een positieve flank krijgt, wordt de telinhoud
op die waarde geset. De PV-waarde kan
een getal van 1 tot 999 zijn en kan ook met bijvoorbeeld een Memroy Word (MW)
of een Data Word (DW) ingelezen worden.

Klik de
operand die je wil veranderen met de linkermuisknop aan. De achtergrond wordt donkerblauw. Met de linkermuisknop zet je de cursor op de
gewenste plaats.

Zoals bij
een tekstverwerker onder Windows kan je
operanden aanpassen. Met de
Deletetoets of met de backslash (ç) wis je een karakter en typ je de
juiste karakters.
Als je
elementen wil wissen of vervangen klik je ze eerst aan met de linker
muisknop (blauw-grijze achtergrond).
-Druk op de Deletetoets om het element met zijn
operand te verwijderen.
-Om een verkeerd element te vervangen druk je
op de insert-toets van je klavier en duidt met de muis het
juiste element in de taakbalk aan
- Druk je niet op de insert-toets
dan wordt het nieuwe element er bij geplaatst.

Om een element
tussen te voegen markeer je de plaats waar je het nieuwe element
wilt plaatsen (Voorbeeld 1). Indien er
geen plaats is tussen twee elementen klik je op het element dat er juist voor
staat (voorbeeld 2). De plaats wordt
gemarkeerd met een blauw-grijze kleur.
Vervolgens
klik je het element aan in de werkbalk en typ het adres erbij.
Voorbeeld 1 11 Voorbeeld 2
![]()




Je markeert
het netwerk .

Druk dan op
de Delete-toets.
Netwerk 3
heeft de plaats ingenomen van netwerk 2.


Als je
rechtstreeks je programma in een statementlist (STL of IL) wilt schrijven, ga
je op dezelfde wijze tewerk als bij een ladderdiagram.
Samengevat:
- in de SIMATIC
Manager definieer je eventueel de hardware.
-
insert in AP-off een S7 Block, bijvoorbeeld een FC1.
- Open FC1
Het ladderdiagram
van VOORBEELD 1 ga je nu ingeven in STL.
Je doet dit in VOORBEELD 3.



In het
scherm Properties moet bij
Language STL staan. Zo nodig klik je op q

Klik op OK.
De SIMATIC Manager is terug volledig zichtbaar. Open opnieuw FC1.
Zoals bij
een ladderdiagram kan je een bouwsteentitel, netwerktitels, bouwsteencommentaar
en netwerkcommentaar invullen. Bij een
instructielijst kun je bovendien bij elke regel commentaar schrijven. Na het adres typ je twee slashen
“//”waarna je het commentaar schrijft.
Als je commentaarregel af is druk je op de ENTER-toets


Als je de instructielijst achteraf wilt zien in een ladderdiagram moet je al de in- en uitgangen die je bij een logische functie (FF, timer, counter e.d.) niet gebruikt, opvullen met NOP 0
De uitgang van de FF is niet
gebruikt, daarom best opvullen met NOP 0
Hierboven zie je de instructielijst van een RS-geheugen. Er is set-prioritet. Wens je een RS-geheugen met reset-prioriteit, dus een SR-gehegen dan moet je de reset-functie na de set-functie ingeven:

Hieronder
zie je het instructielijst van een pulstimer.

Als je de
timer achteraf in een ladderdigram wilt bekijken, moet je de volgorde van de
verschillende programmaregels respecteren en moet je in- en uitgangen die je
niet gebruikt opvullen met NOP 0.

Hieronder
zie je het programma van een opteller (Upcounter)

Op de derde
regel zie je “BLD 101” staan. Dit geeft
aan dat het een teller is in één richting, dat betekent dat je ofwel alleen
maar kan optellen of alleen maar kan aftellen met de teller. Het is dus geen Up/Down-teller. Wil je achteraf je instructielijst in een ladderdiagram
omzetten dan moet je bij een opteller (UC) of bij een afteller (DC) op de derde
regel BLD 101 schrijven.
Als je bij
de derde regel NOP 0 schrijft i.p.v. BLD 101 dan krijg je een Up/Down-teller zonder
aftelingang.
Ga met je cursor voor de karakters staan die je wilt wissen. Druk zoveel keer op de Delete-toets als je karakters wilt wissen.


Als je één of verschillende
achtereenvolgende regels wilt wissen, markeer je die regel(s) door met de
muiscursor te slepen over de regel(s) en je drukt op de Delete-toets. De gemarkeerde regels krijgen een
blauw-grijze achtergrond.
Het editeren van je intructielijst vertoont zeer veel gelijkenis met een tekstverwerker onder Windows.
Als je een regel wilt invoegen moet je eerst plaats maken. Je plaatst de cursor achter de regel waar je wilt invoegen. Druk dan op ENTER. Er is nu plaats vrijgekomen voor een nieuwe regel te typen
A I 124.0 cursor plaatsen en A
I124.0 A I124.0
= Q124.0 op
ENTER drukken Nieuwe regel
A I124.1
= Q124.0 typen =
Q124.0
Dit doe je
op dezelfde wijze als bij een LAD schema.
Opmerking
Je kan ook een PLC-programma ingeven zonder een
HW-configuratie te doen
Vooraleer
je het nieuwe PLC-programma schrijft, deel je mee hoe de PLC waarvoor je het
programma zult schrijven, opgebouwd is .
Als de PLC
gekoppeld is met de PC kun je automatisch de samenstelling door de PC laten
opladen.
Als de PLC
niet gekoppeld is moet je zelf de configuratie ingeven. Het S7-pakket heeft een elektronische
catalogus waar je de onderdelen zoals montagerail, voeding, CPU, in- en
uitgangseenheden kunt selecteren.
Klik met de
linker muisknop op Insert en
beweeg met ingeduwde muisknop de pijl naar Hardware
en vervolgens naar 2 SIMATIC
S7 300-Station. Je kan ook elk item
(Insert – Hardware – 2 SIMATIC S7-300
Station) 1 x aankikken

Laat de
muisknop los. Volgend scherm
verschijnt.

Open in het
rechtervenster het bestand SIMATIC
S7-300 Station. Je komt in het
programma Hardwareconfiguratie
waarin zich het binnenvenster bevindt waar je de systeemconfiguratie kan
parametreren.
Opdat je de
juiste informatie ingeeft, kan je best de elektronische catalogus
gebruiken. Die opene je het
gemakkelijkst via de knop.

Andere
mogelijkheid om de bibliotheek te openen:

Met de
linker muisknop klik je achtereenvolgens View
en Catalog F4 aan.
Rechts in
de hoek verschijnt de “Hardware Catalog”.
Er zijn
drie hoofdstukken zichtbaar. Door op de
kruisjes te klikken kan je verder bladeren in de catalogus. Klik op het kruisje van SIMATIC 300, vervolgens op het kruisje van RACK 300. De Mounting Rail sleep je met de linker
muisknop naar de eerste regel (blauw)
van het configuratiescherm.

De gegevens
van de rail komen in het configuratiescherm op de eerste regel (Slot no. 0) te voorschijn.

Om de
volgende regels in het configuratiescherm zichtbaar te maken klik je op het
kruisje naast de gegevens van de rail, dus na slot nr. 0.
Blader
verder in de catalogus. PS 300 (PS: Power Supply) open
je niet omdat er op de rail van je configuratie geen voeding staat. We gebruiken de 24 V-voeding van de
labotafels.
Druk wel op het kruisje van CPU 300 om een keuze van de juiste
centrale proceseenheid te maken. Sleep
uw keuze naar de rij van slot no 2. Slot no 1 blijft open omdat die voor de
voeding gereserveerd is.

Slot no 3 vullen we ook niet in omdat die gereserveerd is
voor een IM-module. De interfacemodule
dient om koppelingen met verschillende rails te maken.
Vanaf Slot no 4 noteer je de ingangs- en
uitgangsmodules. In de catalogus worden
verschillende afkortingen gebruikt. We
verklaren de belangrijkste.
DI: Digital Input
DO: Digital Output
AI: Analog Input
AO: Analog Output
DI/DA: modules met zowel ingangen als uitgangen
FM: functiemodules; speciale modules zoals
bijvoorbeeld stappenmotormodule, positioneringsmodules
e.d.
Opmerking
De configuratie in deze bundel is niet
noodzakelijk dezelfde als die van de PLC-configuratie waarmee je werkt.
Controleer eerst welke CPU, in- en uitgangseenheden bij jouw PLC
gebruikt zijn!

De ingangs-
en uitgangseenheden vind je onder titel SM
300.
ç
Hier vind je beknopte informatie over het geselecteerde item

Als je klaar bent met de
parametrering, sla je de gegevens op door op het icoontje “Save” < van de standaard werkbalk te drukken.

Sluit na
het opslaan al de vensters van de Hardwareconfiguratie door op de verschillende
“kruisjestoetsen”x bovenaan rechts te drukken. Je komt terug in de SIMATIC Manager.

In de map
”VOORBEELD 1” bevindt zich nu een bestand waarin de configuratie van je systeem
is vastgelegd. Het sofwarepakket kan nu
zelf controleren of de adressen van de in- en uitgangen die je bij je
PLC-programma zult gebruiken correct zijn.
Met de
symbolen editor kan je in je PLC-programma de operanden (absolute adressen)
vervangen door woorden die je zelf kiest.
Je kan dan beter een link leggen tussen het programma en de machine die
je moet besturen.
In
onderstaande figuur zie je een eenvoudig programma. Links zie je het ladderdiagram met absolute adressen, rechts zie
het programma met symbolische adressen.

De
symbolische adressen stockeer je in de Symbol
Editor.
Je maakt
eerst je programma met absolute adressen, zoals je dat hiervoor geleerd hebt.
Je
neemt terug “VOOREELD 1”
Je bevind
je in de SIMATIC Manager.

De Symbol Editor verschijnt.
In de
volgende figuur zie je hoe je de Symbol
Editor invult.
Met de muis
klik je in het veld aan waar je wilt typen.
Data Type verschijnt
automatisch nadat je Adress hebt
ingevuld. Let wel op dat je dezelfde
adressen gebruikt als in je oorspronkelijk LAD of STL programma, anders zal de
PC de adressen niet vinden.
De volgorde
van invullen speelt geen rol.

Je bewaart
de symbolenlijst door op < (Save) te klikken en je sluit
vervolgens af(x).
Als je nu
je programma FC1 terug oproept, zijn de adressen vervangen door hun
symbool.

Symbolische
operanden kunnen gebruikt worden als een programmastructuur enkele keren
voorkomt in een programma. Het
programma moet dan maar één keer geschreven worden. Zoals bij de symbol editor
worden de adressen van in- uitgangen e.d. vervangen door hun symbolen zoals
“start” “stop” “pomp1”.
Je opent
een nieuw project op dezelfde wijze als bij gewone programmering



De
installatie bestaat uit:
-
Siemens
PLC met ingebouwde master (CPU 313C – 2 DP)
-
Siemens slave (ET 200L).
Maak een
nieuw project aan. Kies als naam: Profi1
Voeg in de map Profi1 een SIMATIC 300
station in (figuur: 1,2,3).

-
Hardwareconfiguratie
openen

-
Rail toevoegen aan de HW-configuratie. Open de map SIMATIC 300 (1) en klik op Rail (2).

- De voeding
voor de PLC toevoegen. Open de map PS-300 (3) (PS= Power Supply). Als de voeding niet voorkomt in de HW-catalogus
neem dan de 2A-voeding (4).

- Om de Master toe te voegen open je
de map CPU-300 (5). Vervolgens de map CPU 313C-2 DP. Kies de het CPU-nummer (6). Het
nummer CPU 313-6CE01-0AB0 vind
je niet in de HW-catalogus, je mag het nummer CPU 313-6CE00-0AB0
kiezen.

- Na het aanklikken van de master verschijnt het “Properties”-venster. Je moet hier het adres van de master vastleggen. Meestal stelt men dit in op 2 (7). Klik vervolgens op New (8).

- Open het
blad “Network Settings” (9)

-
Controleer of bij Transmissiesnelheid juist is ingesteld op 1,5Mbps.
- Profile
moet ingesteld zijn op DP
- Sluit af
door op OK te klikken (10).

-
Om de
Profibus-slave toe te voegen, klik je eerst in het HW-config-venster de bus (11).
-
Open
in de hardware catalogus de map PROFIBUS DP (12).
Zoek het typenummer van de Siemens-slave (ET 200 L), open die map (13) en kies dan het juiste toestel (14). Let
op dat je een Profibusmodule aanduidt.
Je herkent die modules aan de letters DP.

- Na het
aanklikken van de slave, verschijnt het Properties- venster. Ook bij de slave
moet je een adres instellen. Kies 3 (15). (2 is al gebruikt voor de master).
- Klik op
de knop “Properties” (16).

- Zoals bij de master moet je bij Network Settings controleren of de
transmissiesnelheid en het Profile juist is ingesteld (17). Dit
moet hetzelfde zijn als bij de master.
- Sluit af door op OK te klikken (18).

- In het HW-config-venster klik je
op tabelrij 1 om de adressen van de uitgangen vast te leggen (19).

- Kies een bytenummer. In dit
voorbeeld is 10 gekozen (20). Vermits de gekozen slave 16 outputs heeft,
worden de bytes 10 en 11 toegekend aan de uitgangen. In je PLC-programma zul je
de uitgangen Q 10.0 tot en met Q 10.7 en Q 11.0 t.e.m. Q11.7 kunnen gebruiken.

- Leg op dezelfde manier de adressen
van de ingangen vast. Verander het I/O type in Input (21)
- Kies nu als startbyte 20 (22).
In je PLC-programma zul je de ingangen I 20.0 tot en met I 20.7 en I 21.0
t.e.m. I 21.7 kunnen gebruiken.
- Sluit het venster af. Klik op de knoppenbalk boven aan in het
HW-config-scherm op het icoontje Save and Compile (23)
. De instellingen worden bewaard en
gelijktijdig wordt gecontroleerd op een aantal fouten.
- Tenslotte moet je de opgeslagen HW-configuratie naar de PLC downloaden
(24).
Indien alles correct is zullen de LED’s met aanduiding BF op PLC
(master) en op de slave groen oplichten.

Het programma
is juist hetzelfde als voor een installatie met klassieke bedrading. Je moet enkel rekening houden met de
adressen die je hiervoor hebt ingesteld.
Bij de
hardwareconfiguratie kozen we:
Q 10.0 tot
en met Q 10.7 en Q 11.0 t.e.m. Q11.7
I 20.0 tot
en met I 20.7 en I 21.0 t.e.m. I 21.7
Voor de
installatie die we hiervoor geparametreerd hebben, zou je volgend programma
kunnen ingeven:
A I 20.0
= Q10.0